De sociale kwestie

De sociale kwestie refereert aan een periode in Nederland dat arbeidsomstandigheden, hygiëne en huisvesting voor arbeiders verre van optimaal waren. Dit stuk geschiedenis staat ook bekend als het ‘arbeidersvraagstuk’ en speelde zich af in de periode 1860 – 1920, door de opkomst van de  industriële revolutie. In dit artikel nemen we de sociale kwestie met je door.

Industrialisatie van Nederland

De industriële revolutie ontstond aanvankelijk in Engeland, omstreeks 1750. De industriële ontwikkelingen in Nederland volgde vele decennia later. Met de komst van industrialisatie werd in rap tempo de ene na de andere fabriek gebouwd, vaak aan de buitenranden van steden. In oude stadswijken (zoals bijvoorbeeld in het Rotterdamse Crooswijk), vind je nog steeds restanten terug van deze industrialisatie. Oude straatnamen als ‘fabriekstraat’ refereren aan deze episode. Evenals oude fabriekspijpen die her en der nog terug te vinden zijn.

Wat is de sociale kwestie?

Met de grote toename van het aantal fabrieken in Nederland, omstreeks 1860, groeide ook de populatie fabrieksarbeiders op explosieve wijze. Arbeiders trokken massaal naar grote steden waar werk te vinden was in deze nieuwe fabrieken. Kolenmijnen werden geopend in Zuid-Limburg.

De leef- en arbeidsomstandigheden waren echter slecht:

  • lange werkdagen van ca. 15 uur per dag, 6 tot 7 dagen per week;
  • slechte arbeidsomstandigheden;
  • geen sociaal vangnet;
  • lage lonen;
  • slechte behuizing;
  • kinderarbeid;
  • onderontwikkelde arbeiderspopulatie

Welgestelden binnen de maatschappij signaleerde deze kwesties eveneens en duiden het als ‘de sociale kwestie’. Want maar liefst 65% van de Nederlandse bevolking was straatarm.

Macht van de fabrikant

Fabriekseigenaren waren heer en meester destijds. Naar believen konden zij arbeiders ontslaan. Arbeiders zagen zich hierdoor genoodzaakt niet te klagen en vrijwel willoos uit te voeren wat fabriekseigenaren van hen verlangde. Er bestonden geen veiligheidsvoorschriften, een CAO of arbeidsinspectie; je deed wat de baas je opdroeg. Het werk was ongezond en kon zeer onveilig zijn. Hierdoor deden zich regelmatig dodelijke ongevallen voor, of kwamen ledematen tussen machines.

Abominabele huisvesting voor arbeiders

Arbeiders die naar de grote stad getrokken waren bewoonden ten tijde van de industrialisatie van Nederland vooral sloppenwijken met grote families bij elkaar. Vader, moeder en zo’n 12 tot 15 kinderen waren geen uitzondering. De huizen werden in rap tempo dicht op elkaar gebouwd en boden nauwelijks voorzieningen. Ze kenden open riolen en nauwelijks waterleidingen. Grote gezinnen leefden in een 1 of 2 kamers. Er was geen privacy noch hygiëne. Iedereen in het gezin droeg zijn steentje bij aan de gezinsinkomsten; van kleuters tot mannen en vrouwen.

Waarom kwam kinderarbeid in Nederland voor?

sociale kwestie

Nederland kon concurrerend optreden door de lonen van arbeiders laag te houden. Ook heerste er hoge werkloosheid, juist door de toename van machines die mensenhanden grotendeels vervingen. Doordat de lonen laag waren werkte hele families van jong tot oud in fabrieken, om zo het hoofd net financieel boven water te kunnen houden. Ieder gezinslid moest zijn steentje bijdragen.

Kinderarbeid
Allereerst was kinderarbeid een normaal fenomeen op het platteland. Maar met de komst van de industriële revolutie werkten kinderen nu ook in fabrieken. Omstreeks 1860 gold dit voor maar liefst een half miljoen kinderen. Zwaar, gevaarlijk en ongezond werk moesten zij uitvoeren. Al op 6-jarige leeftijd werkten zij 6 tot 7 dagen per week, zo’n 12 uur per dag in fabrieken. Kinderen raakten onvolgroeid, ziek en gehandicapt. Velen haalden niet eens de volwassen leeftijd.

Kinderwetje van Van Houten

De liberale politiek vond in eerste instantie -gezien de concurrerende positie van Nederland- de arbeidsprocessen in de fabrieken geen bezwaar. Later keerde het tij met de komst van een nieuwe liberale regering.

Politicus Samuel van Houten wilde verandering zien in kinderarbeid. Kinderen tot 12 jaar mochten niet in loondienst werken was zijn standpunt. In 1874 ging het ‘kinderwetje van Van Houten‘ van kracht. In de praktijk echter, vanwege gebrek aan controle in fabrieken, bleven jonge kinderen arbeid uitvoeren. Met de komst van de arbeidsinspectie in 1882 behoorde dit grotendeels tot het verleden.

Sociale kwestie; ingrijpen door overheid

Liberale politici ambieerden een vrije markt met weinig overheidsbemoeienissen. Tegenover hen stonden de socialisten van de SDAP (Sociaal Democratische Arbeiderspartij). Zij wilden juist scherpere overheidsinmenging om de rechten van arbeiders te waarborgen. Bij de verkiezingen in 1894 deed de SDAP dan ook mee en boekte succes onder aanvoering van leider Pieter Jelles Troelstra. Vanaf dat moment ontstonden er nieuwe sociale wetgevingen.

  • In 1889 kwam er de arbeidswet. Vanaf dat moment mochten vrouwen en kinderen nog ‘maar’ 11 uur werken per dag en mocht er niet meer op zondag gewerkt worden.
  • In 1900 werd kinderarbeid tot 12 jaar verboden en kwam er de leerplicht voor kinderen van 6 tot 12 jaar.
  • In 1911 werd de nieuwe arbeidswet in het leven geroepen. Vanaf dat moment mocht er maximaal 10 uur per dag en 6 dagen per week gewerkt worden.

De sociale kwestie als basis voor de verzorgingsstaat

De sociale kwestie is in tientallen jaren stukje bij beetje teruggebracht naar betere rechten en arbeidsomstandigheden voor arbeiders. Ook voor kinderen werd de situatie langzamerhand iets verbeterd. Voortvloeiend hieruit ontstonden telkens nieuwe wetten die de basis vormden voor de huidige verzorgingsstaat.